Bureaucratische Duivelse Bokkenjacht
De regio Limburg was in de 18e eeuw geen eenheid, maar een lappendeken van verschillende staatjes. In feite zwaaiden er vier grote mogendheden de scepter: de Oostenrijkse Nederlanden (met Valkenburg, Heerlen en Kerpen), de Republiek der Verenigde Nederlanden (met het Staatse Maastricht dat werd aangestuurd door Den Haag), het Prinsdom Luik (behorend tot het Heilige Roomse Rijk) en het Duitse Hertogdom Gulik. Door deze vier overheden en tientallen lokale schepenbanken was er totaal geen coördinatie of controle op de wetgeving. Misdadigers vluchtten simpelweg de grens over. Dit zorgde voor totale paniek bij de lokale schouten. Om hun eigen falen te maskeren en de grensregio’s te ‘zuiveren’, zetten zij het zwaarste middel in: de pijnbank. Dit was het startschot voor de beruchte Bokkenrijders-processen in de roerige periode tussen 1740 en 1780.

De rechtsgang rammelde aan alle kanten. Vooral de Oostenrijkse en Gulikse gebieden liepen voorop met middeleeuwse, bloederige rechtspraak. Galg en brandstapel kwamen in beeld zodra er een bekentenis was afgedwongen door brute marteling. Onder deze pijniging móést de verdachte wel verklaren dat hij ‘s nachts op een duivelse bok had gevlogen én moest hij namen van handlangers noemen. Die buren of familieleden werden direct opgepakt en gefolterd. Het was een complottheorie met een juridisch sneeuwbaleffect. Wel 95% bekende onder dwang. Slechts 120 tot 150 van hen waren échte bendeleden, tegenover maar liefst 500 executies.

De overheden lieten deze blunders bewust voortduren. Het was angst, maar vooral puur geldelijk gewin. Het uitroeien van de bende was een lucratief verdienmodel door de confiscatie van landerijen en bezittingen, én door het stukloon voor de rechters. Pas met de Franse overheersing in 1794 stopte deze waanzin. Zij voerden een transparant rechtssysteem in, mét advocaten en openbare bewijsvoering.

De Bokkenrijders-processen gaan de boeken in als een van de grootste institutionele blunders ooit. Uit angst voor criminaliteit en bij gebrek aan een grensoverschrijdende politiemacht, creëerde de 18e-eeuwse overheid haar eigen monsters. Honderden onschuldige boeren, arbeiders, vilders en wevers stierven aan de galg voor een misdaad die fysiek onmogelijk was. Want vliegen op een bok is, net als vliegen op een bezemsteel, een fabel. Pas toen de elite zelf gevaar liep, stopten de processen abrupt.

Er zijn angstaanjagende vergelijkingen met het heden. Het oude Box 3-systeem is daar een treffend voorbeeld van: het belasten van een fictief rendement, ongeacht of dit op waarheid berust. Maar wat dacht u van het Toeslagenschandaal? De feodale elite en regenten moesten koste wat het kost in het zadel gehouden worden; zij stonden mijlenver van de gewone burger.
De overheid heeft hier doelbewust en jarenlang de grondrechten van burgers geschonden. Een commissie legde bloot dat de top van de ministeries een cultuur in stand hield waarin kritische signalen over het onrecht bewust werden weggedrukt om politieke carrières te beschermen. En nu wordt de schuld afgeschoven op algoritmes, die nota bene zélf door mensen in die computers zijn gestopt. Net als bij de Bokkenrijders en de heksenjacht, gaat de nasleep van het Toeslagenschandaal zeker nog vier generaties duren. De schade die door de overheid is aangericht is zo intens diep, dat de geschiedenis zich helaas pijnlijk herhaalt.

